Nederlandse taal en cultuur

Gepubliceerd op 24 oktober 2011

Studieprogramma Nederlandse taal en cultuur

Opbouw bachelor

De bachelor Nederlandse taal en cultuur duurt drie jaar. Met ingang van studiejaar 2012-2013 zal overgegaan worden op de semesterindeling
‘8-8-4’. Een studiejaar zal dan bestaan uit twee semesters van elk twintig weken, verdeeld in blokken van 8 weken, 8 weken en 4 weken. Het eerste semester loopt van begin september tot eind januari; het tweede semester loopt van begin februari tot eind juni. De bachelor is zo ingericht dat je in principe 42 uur per week met je studie bezig bent.

Een studiejaar omvat 60 studiepunten. Studiepunten worden vermeld als ECTS (European Credit Transfer System) of EC. Per semester volg je een aantal vakken van 6, 12 of 18 EC. De belangrijkste onderwijsvormen zijn hoorcolleges en werkcolleges. Verspreid over de onderwijsperiode van een vak krijg je verschillende toetsen, minimaal twee per 6 EC. De resultaten van de toetsen vormen samen het eindcijfer van een vak.

Het eerste jaar van de bachelor (de propedeuse) bestaat uit vier vakclusters van elk 12 of 18 EC. Vakclusters bestaan uit meerdere vakken die met elkaar samenhangen. Je volgt in ieder semester twee vakclusters en nooit meer dan twee vakken tegelijk. In de propedeuse is er ook aandacht voor algemene academische vaardigheden zoals wetenschappelijk schrijven en onderzoeksvaardigheden. Als je alle onderdelen van het eerste jaar met succes hebt afgerond, ontvang je het propedeusediploma.

De vakken in het tweede en derde jaar van de bachelor bouwen voort op de vakken van het eerste jaar. Daarnaast volg je, in principe in het derde jaar, het vak Wetenschapsfilosofie. Iedere student sluit zijn of haar bachelor af met een afstudeertraject van 18 EC, waarvan 12 EC bestemd zijn voor de afstudeerscriptie. Als je alle onderdelen van het tweede en derde jaar hebt afgerond, ontvang je het bachelordiploma en de titel Bachelor of Arts (BA).

Een overzicht van alle bachelorvakken van Nederlandse taal en cultuur in studiejaar 2012-2013 zal vanaf eind maart op deze website zichtbaar zijn.

Het vakkenoverzicht van het huidige studiejaar vind je in de digitale UvA Studiegids, zie verwijzing hieronder.

Onderwijsvormen

In het eerste jaar volg je zo’n 12 tot 16 uur college per week, later heb je minder college. De andere uren studeer je zelfstandig. Je zoekt en bestudeert materiaal in de bibliotheek, je bereidt je voor op colleges of tentamens of je schrijft een werkstuk. Je krijgt hoorcolleges en vooral werkcolleges.

  • Bij hoorcolleges, die aan grote groepen studenten tegelijk worden gegeven, licht de docent de literatuur toe die je van tevoren hebt bestudeerd.
  • In werkcolleges werk je intensief samen met ongeveer 20 medestudenten en doe je opdrachten, schrijf je werkstukken en houd je referaten.

In veel colleges wordt gebruikgemaakt van Blackboard en internet. Met Blackboard kun je opdrachten op een apart gedeelte van het UvAweb plaatsen en ook buiten de colleges met de docent communiceren.

Profileringsruimte en minor

Je hebt mogelijkheden om een deel van de studie naar eigen inzicht in te vullen. In het tweede en derde studiejaar heb je een profileringsruimte van 54 EC, waarvan 12 EC bestemd zijn voor een opleidingsgebonden keuzevak. Binnen de overige 42 EC kun je bijvoorbeeld een minor volgen van 24 of 30 studiepunten en/of keuzevakken binnen of buiten de Faculteit der Geesteswetenschappen. In totaal ben je verplicht 24 EC te volgen buiten het departement Neerlandistiek, waartoe de bachelor Nederlandse taal en cultuur behoort.

Een minor is een samenhangend onderwijsprogramma van 24 of 30 EC (een halfjaar) dat je de gelegenheid geeft je blikveld te verruimen en een bepaald onderzoeksthema breed te benaderen of je te verdiepen in een bepaald onderwerp. Ook zijn er minoren waarmee je je kunt kwalificeren voor bepaalde masteropleidingen.

Klik op onderstaande verwijzing voor een overzicht van het huidige minoraanbod.

Verwijzingen

Minoraanbod

Stage lopen

In de keuzeruimte kun je stage lopen. Je doet werkervaring op en krijgt een indruk van de mogelijkheden binnen een organisatie en van wat voor werk bij jou past. Tegelijkertijd krijgt de organisatie de kans kennis te maken met studenten Nederlandse taal en cultuur en hun vaardigheden. Een stage, een verblijf in het buitenland en alle ervaring die je tijdens relevante (bij)banen, bestuursfuncties of vrijwilligerswerk opdoet, kunnen een verrijking betekenen van je studietijd én je curriculum vitae (cv).

Via de opleiding zijn stageplaatsen beschikbaar door de contacten met:

  • bedrijven,
  • literaire en culturele instellingen,
  • krantenredacties
  • en wetenschappelijke onderzoeksbureaus.

Verwijzingen

Stages FGw

Internationaal studeren

De UvA neemt intensief deel aan internationale samenwerkings- en uitwisselingsprogramma’s, waardoor je een periode in het buitenland kunt studeren.

Studenten Nederlandse taal en cultuur hebben onder meer gestudeerd in:

  • Ontario (Canada)
  • Evanston (VS)
  • Rennes en Parijs (Frankrijk)
  • Berlijn (Duitsland)
  • Wroclaw (Polen)
  • Pecs (Hongarije)
  • Jyväskylä (Finland)
  • St. Petersburg (Rusland)
  • Jakarta en Semarang (Indonesië)
  • Stellenbosch (Zuid-Afrika)
  • Paramaribo (Suriname)

Studenten uit het buitenland volgen op hun beurt colleges bij de UvA.

Honoursprogramma

Met het honoursprogramma biedt de Universiteit van Amsterdam uitdagend onderwijs voor wie meer wil en kan dan het reguliere studieprogramma vraagt. Studenten van de FGw die hun propedeuse zonder herkansingen in één jaar afronden met gemiddeld een 7,5 of hoger kunnen na selectie worden toegelaten tot het honoursprogramma in het tweede en derde jaar van hun bacheloropleiding.

Voor studenten van de FGw bestaat het honoursprogramma uit het vak Digital Humanities (12 EC, voor alle honoursstudenten van de faculteit), een individueel onderzoekspracticum (12 EC) en een uitbreiding van de bachelorscriptie (6 EC). Studenten die het honoursprogramma met succes afronden krijgen een honourscertificaat bij de uitreiking van hun bachelorbul.

Verwijzingen

Honoursprogramma
Bron: bureau Communicatie
|